Reddingsboot “Brandaris I” (Terschelling)

Ferdinand Kies was één van de opvarenden, welke tijdens de laatste redding op zee niet meer terug kwam. Het schip keerde nimmer meer terug in de haven van Terschelling. Het is nog steeds een raadsel wat er precies gebeurd is. Op de website Molair.nl (website is niet meer actief) kwam ik onderstaande tekst tegen. In de krant heb ik gezocht naar artikelen van deze tragedie. In een artikel kwam ik tegen dat zelfs de koningin moeder een donatie had gedaan aan het Rode Kruis om de nabestaanden schadeloos te stellen.

Het artikel

Collectie Henk H. Dijkstra, Brandaris I (1910)

Volgens ‘Mensen van vroeger’: Reddingswezen en redders op Terschelling, blz 138 ev: “In 1921 moest schipper Jan Cupido het roer van de reddingsboot ‘de Brandaris’ uit handen geven, omdat zijn gezichtsvermogen sterk verminderde. Op 23 oktober 1921 ging de boot voor de eerste keer uit onder de nieuwe schipper, Steven Wiegman, op weg naar de duitse schoener ‘Liesbeth’, die tijdens een n.w. storm nabij Texel gestrand was. Van deze tocht is zij echter nooit teruggekomen. Slechts het lijk van Steven-Wiegman werd gevonden; Ferdinand Kies, Albert Tot en Rink Dijkstra vonden een zeemansgraf.” Op 15 december 1921 ontvangen de nabestaanden een brief van de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij Amsterdam, met een “opgave van de nagelaten betrekkingen ramp Brandaris”. 7 7 Ferdinand Kies Op 23 october gaat de reddingsboot “de Brandaris” voor de eerste keer uit onder de nieuwe schipper, Steven Wiegman, op weg naar de Duitse schoener “Liesbeth” die tijdens een N.W.storm nabij Texel gestrand was. Van deze tocht is zij echter nooit teruggekomen. Slechts het lijk van Steven Wiegman werd gevonden Ferdinand Kies Albert Tot en Rink Dijkstra vinden een zeemansgraf. Baukje Kies verliest hierdoor twee zoons; Ferdinand en Rink. Op 22 november schrijft Baukje een brief waarin haar verdriet over het voorval en de daaruit voortvloeiende armoede tot uitdrukking komt: “Andwoordt op uw schrijven over de foto. Ik zou gaarne een wat groter van willen hebben van mijn beide zoons (Ferdinand Kies en Rink Dijkstra die mij zoo dierbaar waren, en ik zo jammelijk moest verliezen. Het is niet om uit te houden. Ik ben er bij na verstandeloos van. Ik slaap bij na nooit en zelfs onder dokters handen ben. En mij verbied om niets te doen. Nu zou ik u heel dankbaar er voor wezen of u mijn zoons met haar beiden op een wat groter wil laten trekken dat ik haar later nog eens kan aanschouwen. En dan ik een vriendelijk verzoek an u als heeren van de Maatschappij om ook eens om mij te denken. Ik heb mijn jongste zoon Rink Dijkstra altijd kleed en als hij iets moest hebben hij bij moeder en heb het hem nooit geweigert. En zou wanneer hij wat verdiende zou hij weer afbetalen. Dus mijn man kan niets verdienen wegens lichaam gebreken en ik zou zelf moeten verdienen.Dat hij heeft zijn leven er zoo voor opgeoffert, om reden dat ook niet één met wou, en zoo jammerlijk zijn leven verloren. Dat nu zou ik ook graag dat de Heeren ook zoo goed wouden wezen om mij te denken u kan wel naar ons informeren in Leek. En ik ook niet bang zal wezen dat u voor zult zorgen, In afwachting noem ik mij B Kies adres Sietze Terpstra nr 155a Leek” Op 15 december 1921 ontvangen de nabestaanden een brief van de Noord- en Zuid- Hollandsche Redding Maatschappij Amsterdam, met een “opgave van van de nagelaten betrekking en ramp Brandaris .Als nabestaanden van Ferdinand Kies worden Hillechien van Houten, zijn echtgenoot, Baukje, Gezina, Hillechien en Ferdinand, zijn kinderen genoemd. Zijn moeder wordt niet vermeld. Ten aanzien van de nabestaanden van Rink Dijkstra is het volgende opgenomen: “Wij hebben afgesproken, dat de moeder een som geld zal ontvangen De ongevallenwet keert hier niet uit.

DE DRAMATISCHE OCTOBER DAGEN VAN 1921

Leeuwarder Courant (1921)

De zware storm van 22 tot 24 October 1921 werd een dramatische ramp voor het Nederlandse reddingswezen. Langs de gehele kust raakten schepen in nood. Voor de Eems verging de Loodsschoener Eems no. 2 waarbij tien opvarende verdronken. Bij Schiermonnikoog zonk een baggermolen van de Duitse regering en lag het Deense ss A.p. Bernstoff met de noodvlag op. Bij Ameland zat een driemastschoener in de branding.Hoogerop had de sleepboot Roode Zee het zwaar te verduren. De brug weggeslagen, het roer defect en een Engelse kruiser op sleep. Bij Hoek van Holland was de Franse lichter Falaise in nood. De stoomreddingboot President van Heel werd bij het reddings-werk gegrepen door een grondzee en sloeg om. Een van de redders slaagde erin om op de omgeslagen boot te klimmen en werd gered,maar de zes andere redders kwamen om. Op Zondagmorgen 23 October was de wind al aangewakkerd tot een zware storm. Toch vertrok tot veler verbazing de raderboot Minister Kraus uit de haven van Terschelling om passagiers naar Har-lingen te vervoeren. De moterboot van Vlieland bleef echter liggen. De storm ging over tot orkaankracht. In Den Helder werd om 08.10 uur de zwaarste windstoot gemeten met 25,2 m/sec. Op Vlieland mat men om 07.15 en 09.15 uur 28,2 m/sec. Dit kwam overeen met windkracht10 tot 11. Op de Noordzee was een Duitse driemastschoener, de Liesbeth, onderweg met een lading porseleinaardevan Fowey naar Goteborg. Op Zaterdag avond 22 October bevond het schip zich nog 50 mijl uit de wal. De wind was zuidwest en het weer stormachtig. De koers van de Liesbeth was NNO. In denacht van de 23 ste schoot de wind echter in een verschrik-kelijke hagelbui door naar het noordwesten . De zee werd onstuimig en op zondag-morgen om een uur of elf, toen de lucht na een bui wat op-klaarde, kwam opeens vlakbij de Eierlandsevuurtoren in zicht Het was voor Kapitein Arnold Schroder onmogelijk om de schoener vrij van de kust te houden en hij besloot het schip op de Noordwest-hoek van Texel op het strand te zetten. Om een uur ‘s middags werd erdoor kustwacht Eierland geseind: ‘Driemastschoener peiling noord van Eierland gestrand. Heeft noodsein NC’. Onmiddellijk werden de redding-boten van De Cocksdorp, Vlieland en Terschelling gewaarschuwd. Om halftwee was de boot van de Cocksdorp al onderweg naar het schip, dat in de gronden van de ‘Stanleyrug’ zat. Schipper Maarten Boon en zijn roeiers hadden een zeer zware reis. Langzaam, zeer langzaam ging de boot vooruit, in angstige spanning afgewacht door de zes man van de Liesbeth, die zich in de want hadden vast-gebonden. Tegen vijf uur was de redding-boot bij het wrak, maar door de storm en de hoge zee kon men het niet bereiken. Op een gegeven ogenblik, terwijl men zich bijna naast het wrak bevond, sloeg de reddingboot door een grondzee vol water en werd deze wel tweehonderd meter terugge-slagen. Maar na een heldhaftige worsteling slaagden de redders er in om na zes uur worstelen de mannen aan boord te krijgen en keerden triomfantelijk terug naar De Cocksdorp.

De laaste tocht Vanuit Terschelling was die Zondag om twee uur ‘s middags de reddingboot Brandaris uitgevaren. Aan het roer stond Steven Wiegman. Hij, die in 1908 was omgeslagen met de roei reddingboot van West en maar ternauwernood gered was en daarna op de Brandaris onder Jan Cupido bijna alle reddingtochten had meegemaakt, hoe waardeerde hij zijn benoeming als schipper als een grote onderscheiding. Hoe verlangde hij ernaar om uit te varen om zijn eerste redding te ver-richten. En dan Albert Tot, hoe blij was hij ook met zijn vaste benoeming op 29 Januari 1921. Als de Brandaris uit moest gaan, danwas het als een feest voor hem, vertelde vader Tot over zijn zoon. Verder waren aan boord machinist Ferdinand Kies en zijn half-broer Rink Dijkstra. Samen werkten zij in hun smederij en voor de jonge Rink Dijkstra zou dit de eerste tocht zijn. Vol vertrouwen begonnen zij aan de lange tocht van dertig kilo-meter, want hun schip had al vaker soortgelijke tochten goed doorstaan. Zoals altijd werd de dapperre Brandaris ook nu weer door de Terschellingers gevolgt vanaf de duinen. Toen zij ter-hoogte van het badhuis op Vlieland was, verloor men haar uit het oog door de hooge zeeen niet wetende dat men het schip nooit meer zou zien. Bernhard van der Vlies op Vlieland, die zelf in de Vlielander boot roeide, zag haar door het gevaarlijke Stortemelk naar buiten gaan. Hij stond met een aantal mensen samengedromd in de beschutting van de Vlielander vuur-toren. De boot stond af en toe recht overeind.

Leeuwarder Courant (1921)

Toen hij thuis kwam zij hij tegen zijn vrouw: ‘Wel, Aal, die gaat er wel uit maar komt er niet meer terug. Daar durf ik mijn ouwe klomp niet voor te geven! ‘Hoe zou hij gelijk krijgen!’ Om 16.45 uur, tijdens een hevige bui, werd de Brandaris het laast gezien door een vijftiental Vlielanders op een duin terhoogte van de ‘Kookerpaal van de Telegraaf’ (hier ging de bovengrondse telefoonleiding over in een onder-grondse kabel). Onder hen waren dokter Terwisga en de veldwachter A. Kooyman. Zij verklaarden later:’ Er was een bui, en er liep een vreselijke zee. De Brandaris stond af en toe rechtop en dan zag men plat tegen het dek. Zij bevond zich ongeveer 2000 meter uit de wal en stoomde langzaam met de kop richting Terschelling. Ze lag noordoost voor’. Verder verklaarden ze dat de boot achter een duin uit het zicht verdween en hier niet meer achter verdaan kwam. En opmerkelijk ze waren zeer beslist in hun verklaring dar ze later een sterke pretroleumlucht roken. Ook een zoon van de oudredding-boot schipper K.H. Visser en een zoon van Cornelis Bruin roken petroleum toen ze zich om 17.30 uur in het drenkelingenhuisje op de Vliehors bevonden. Sommige Vlielanders meenden een klap gehoord te hebben. Zondagavond verdrongen de Terschellingers zich in de luwte van het postkantoor bij de haven. ‘Nog niets in zicht? Nog niets bekend?”Er werd gemeld dat de bemanning van de driemaster door de reddingboot van Texel is gered, maar van de Brandaris is na vijf uur niets meer gezien! ‘DAT zijn de schaarse woorden die opgevangen werden en doorgegeven aantal die wachtende mannen die diep in hun kraag gedoken stonden onder het Wakend Oog en verder langs de haven. Het werd steeds later en langzaam begon de om-vang van het drama tot de mensen door te dringen. Stilletjes schuifelden de mensen naar huis. Boven hun hoofden draaiden afgebroken de vier krachtige lichtstralen van de vuurtoren, die dezelfde naam draagt als het scheepje dat zoveel mensen in veiligheid heeft gebracht. Het werd hoogwater en de Brandaris bleef weg; ik dacht toen: het is verkeerd’, vertelde de zoon van Steven Wiegman later. Als ze ergens aan wal waren gekomen, dan hadden we wel bericht gehad. We wisten dat het was afgelopen was’aldus Kees Wiegman. Op maandagmorgen ging de sleepboot Noordsvaarder uit, later volgde de Texel. Samen zochten ze het gebied rond Vlieland af, maar keerden tegen de avond onverrichterzake terug. Op het bericht dat de Brandaris vermist was, waren zondag-nacht op Vlieland al een paar man met carbid-lantaarns het strand langsge-gaan . Een van hen was Cees Wiegman, roeier in de Vlielander boot en broer van schipper Steven Wiegman. Bootsman A.List was helemaal naar de Hors gelopen en kwam om vier uur’s nachts terug zonder iets gevonden te hebben. Maar toen spoelden de stille getuigen van de ramp aan. Op Texel het afgescheurde voorpand van een zwemvest met de naam Brandaris erop. Op Vlieland een kleine reddingboei, ook met de naam Brandaris. De bange vermoedens waren nu wel zekerheid geworden.

Leeuwarder Courant (1921)

Later spoelde er bij Anna Paulowna nog een stuk van een redding boei aan en in Den Helder zelfs vier stuks, drie ronde en een hoefijzervormige (er waren zes of zeven reddingboeien aan boord). Woensdag en Donderdag zochten de sleepboten Noordsvaarder en Texel opnieuw het zeegebiet af tot Nieuwediep toe. Ook een paar vliegtuigen van de marine vlogen van Texel tot Helgoland, maar nergens vond men een spoor van de Brandaris. Ook een paar blazers van Terschelling namen deel aan de zoekactie, de TS 37 van Branke Lettinga (in 1914 gered van de logger Theodora door de Brandaris) de TS 33, de grote blazer van Arie de Beer en de TS 58 de Grote Bolle van Jan Christiaan Kuiper. Het resultaat was echter nihil. De Brandaris bleef spoorloos en pogingen om het wrak te lokaliseren faalden. Volgens de Vlielander Bernard van der Vlies lag het wrak ongeveer twee kilometer uit de kust van Vlieland ter hoogte van dam 10 en dit is ook ongeveer de plaats waar de Brandaris voor het laast gezien is. Hij werkte in die tijd aan de stenen dammen op Vlielands noordkust en voer dan met bakken steen langs die positie en hij vertelde zijn zoon dat daar steeds op dezelfde plaats olie omhoog kwam.

Leeuwarder Courant (1921)

De toedracht van het ongeluk zal wel altijd een raadsel blijven. ‘Het moeilijkste gedeelte van de heenreis, door de gemene branding van het Stortemelk, heeft de boot dus goed doorstaan, schreef D. Doeksen van de plaatselijke-reddingcommissie na de ramp aan het hoofdbestuur. En aangezien het schip blijkbaar op de terugkeer was, had zij het gevaarlijke omdraaien in een wilde zee ook goed doorstaan. De Raad van de Scheepvaart kon over de ramp ook geen uitspraak doen: ‘ De Raad vermag de oorzaak van het vergaan van de Brandaris bij gebrek aan gegevens niet vast-stellen. Aan een redding bij stormweer onder de kust is steeds gevaar verbonden. De Brandaris was voor daar-mede uit te oefenen vaart volkomen berekend, goed uitgerust en onder-houden en bemand met voor de redding-dienst geschoold personeel. De Raad gedenkt met weemoed de bemanning, die in dienst der naasten het leven heeft verloren’.

ONTPLOFFING

De mogelijkheid dat de Brandaris het slachtoffer geworden is van een mijn moet echter niet uit het oog worden verloren. Mijnen spoelden na stormweer nog steeds bij tientallen aan op de kust. En de torpedoboten G-11 en Frans Naerebout waren op 30 Maart 1918 in die buurt ook beide het slachtoffer van een mijn geworden. Interessant is dan ook het artikeltje van begin November 1921 in de Texelshe Courant: ‘De beschadigde toestand waarin de redding-gordels en boeien die aangespoeld zijn, zich bevinden, schijnt er op te wijzen dat de mogelijk-heid eener ontploffing niet uitgesloten. Het reddingmatiriaal is zeer sterk, biedt aan de invloed van het water zeer goed weerstand en heefd voldoende drijfvermogen, zodat de bescha-diging welhaast niet aan de zee kan worden toegeschreven. Op toezen-ding van wrak stukken aan de Burgemeester-Strandvonder van Terschelling staat een pre-mie’.Zo’n explosie zou wel een verklaring kunnen zijn voor de klap die sommige Vlielanders gehoord menen te hebben en de petroleumlucht die geroken werd. [Bron: www.molair.nl]

Genealogie

Krantenartikelen

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.